Prudent Armand Nuyten (Nuytten Nuijten)

Personalia

Naam:Prudent Armand Nuyten (Nuytten Nuijten)
Doopnaam:Prudent Armand
Woonplaats:Ieper
Beroep:Luitenant Generaal Belgisch Leger
Geboren:23 februari 1874 (Ieper)
Overleden:22 december 1954 (Knokke)
Ouders:
Broers/Zussen:

Opmerkingen

Prudent Armand Nuyten werd op 23 februari 1874 te Ieper geboren. Zijn vader was een bescheiden timmerman, en na de vroegtijdige dood van zijn ouders werd hij samen met zijn broer bij twee oudere Ieperse dames opgevoed. Tot zijn zestiende jaar bezocht hij de stadsschool te Ieper. Door in contact te komen met de familie Lesaffre, een bij uitstek militaire familie, leerde hij het leger kennen. Op 16-jarige leeftijd tekende hij op 22 september 1890 als vrijwilliger bij het 3de linieregiment, waarvan een bataljon in Ieper gekazerneerd was. In 1893 slaagde hij voor het toelatingsexamen van de Militaire School. In 1895 beëindigde hij zijn studies als primus van de 44ste promotie infanterie-cavalerie. Na als onderluitenant ingedeeld te zijn bij het 1ste linieregiment te Brussel, en vervolgens bij het 1ste regiment carabiniers, werd hij in 1901 toegelaten tot de Krijgsschool. In datzelfde jaar werd hij eveneens tot luitenant bevorderd. Drie jaar later voltooide hij zijn studie en werd benoemd tot stafadjunct en ingedeeld bij het 2de linieregiment. Hij werd in 1907 bevorderd tot kapitein van het speciale kader van de staf en werd als stafadjunct naar de vesting Luik gestuurd. Nadat hij in 1911 tot kapitein-commandant bevorderd werd, werd hij in 1912 teruggeroepen naar Brussel om deel uit te maken van de in 1910 opgerichte generale staf van het leger. Hier, en aan de Krijgsschool waar hij vanaf september 1913 doceerde, ontmoette hij kapitein-commandant Emile Galet, die de militaire raadgever en de vleugeladjudant van koning Albert was. Hij werd niet enkel een vriend van Galet, maar deelde ook diens militaire opvattingen. Bij het uitbreken van W.O.I werd hij ingedeeld bij het Groot Hoofdkwartier van de Belgische Strijdkrachten. Samen met majoor Henri Maglinse, officier operaties van de generale staf, bereidde hij begin oktober 1914 de terugtocht voor van het Belgisch leger naar de linkeroever van de Schelde, nadat duidelijk gebleken was dat Antwerpen verloren was. Toen midden oktober 1914 de Belgische en Franse legers in de IJzervlakte dreigden te bezwijken onder de Duitse druk opperde hij het idee om de IJzervlakte ten oosten van de verhoogde berm van de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide onder water te zetten. Samen met de oude Veurnse sluiswachter Karel Cogge ging hij de technische mogelijkheden na om dit te realiseren. Na goedkeuring door Galet en door koning Albert werd dit plan einde oktober succesvol ten uitvoer gebracht. Het betekende de redding van de Belgische en Franse legers. Voor zijn aandeel in de inundaties werd hij tot ridder in de Leopoldsorde benoemd. Einde 1916 werd hij bevorderd tot majoor en benoemd tot tweede in bevel van de staf van de 6de legerdivisie. Na de eindoverwinning ging zijn carrière gestadig verder en in 1919 en 1921 werd hij respectievelijk tot luitenant-kolonel en kolonel benoemd. Nadat hij in 1925 tot tweede commandant van de Krijgsschool werd benoemd, werd hij in 1926, op vraag van Galet en van koning Albert, benoemd tot kabinetschef van de minister van Defensie, de katholieke politicus Charles de Broqueville. De benoeming van generaal Galet tot stafchef van het leger, en van kolonel Nuyten tot kabinetschef, betekende een grondige verandering van de Belgische militaire politiek en strategie. Beiden waren voorstander van een specifieke Belgische strategie die minder op Frankrijk georiënteerd zou zijn. Galet begon in 1926 met de uitvoering van een Belgisch defensieplan, gebaseerd op het neutralisme van Brialmont. In 1929 werd kolonel Nuyten bevorderd tot generaal-majoor en hij werd aangewezen als adjunct-stafchef van het leger onder Galet. De twee vrienden werkten het Belgische defensiesysteem verder uit en, nadat hij in 1932 benoemd werd als vleugeladjudant van koning Albert, volgde hij de pensioengerechtigde Galet op. Een bijzonder hoge promotie voor een jongen uit een eenvoudig timmersmansgezin, die op schitterende wijze bewees dat sociale promotie in legerkringen wel degelijk mogelijk was. Tussen 1933 en 1934 kwam hij in conflict met de in december 1932 benoemde minister van Defensie, de Ieperling Albert Devèze, en hij werd gedwongen ontslag te nemen als stafchef van het leger. Devèze wilde het gehele grondgebied verdedigen; Galet en Nuyten daarentegen wilden, na het uitvoeren van een vertragend gevecht, terugvallen op een centraal bolwerk tussen Antwerpen en Gent. Na de functie van bevelhebber van het 2de legerkorps in Antwerpen geweigerd te hebben, vroeg en kreeg hij de toelating om op 1 januari 1935 met pensioen te gaan. Tijdens de mobilisatie werd hij in december 1939 terug opgeroepen en benoemd tot inspecteur-generaal van de infanterie. Tijdens de Achttiendaagse veldtocht fungeerde hij als verbindingsofficier tussen koning Leopold III en de Franse generale staf. Na de capitulatie werd hij niet gedeporteerd, omdat hij tot het gevolg van de koning behoorde, en ging hij opnieuw met rust. In 1954 overleed hij op 80-jarige leeftijd in zijn villa in Het Zoute (Knokke). Bron-Koninklijke Militaire School